Uitleenwoordenbank van het Nederlands

Talen

Pidgings, creooltalen en etnolecten


Nederlandse pidgins en creooltalen

Toen in de zeventiende eeuw aan de kust van Afrika en op de Zuid-Amerikaanse en Caribische plantages op grote schaal sprekers van zeer uiteenlopende talen met elkaar in contact kwamen, moesten deze zich onderling verstaanbaar maken. De plantagebezitters spraken Engels, Frans, Spaans, Portugees of Nederlands, de slaven die uit de inheemse bevolking geworven werden, spraken diverse indianentalen, en de negers die uit diverse gebieden in Afrika aangevoerd werden, hadden verschillende moedertalen. In deze omstandigheden ontstonden nieuwe, simpele omgangstalen, zogeheten pidgins. Pidgins hebben een eenvoudige grammaticale structuur, terwijl de woordenschat grotendeels wordt geleverd door de overheersende groep: de Europese slaveneigenaars. Wanneer een pidgin moedertaalsprekers krijgt, ‘creoliseert’ het, dat wil zeggen dat de taal zich ontwikkelt tot een volledige taal, die men dan een creooltaal noemt. Men gaat ervan uit dat dit proces heel snel gaat: een creooltaal ontwikkelt zich binnen twee of drie generaties. Creooltalen zijn mengtalen met een eigen grammatica. Zij ontwikkelen zich onafhankelijk van de talen waaruit zij zijn voortgekomen. Voorbeelden van creooltalen zijn het Sranantongo en het Papiaments, gesproken in Suriname respectievelijk op de Benedenwindse Eilanden.

Het Nederlands heeft aan de wieg gestaan van een aantal pidgins en creooltalen. In Noord-Amerika verstonden Nederlanders en indianen zich met elkaar via de pidgin Delaware-Jargon. In Zuid-Amerika en het Caribisch gebied ontstonden in de zeventiende eeuw drie op het Nederlands gebaseerde creooltalen: Negerhollands, Berbice-Nederlands en Skepi-Nederlands. Ook in Indonesië kwamen enkele Nederlandse creooltalen, of eigenlijk mengtalen tot stand: het Petjoh met Maleis en het Javindo met Javaans als grammaticale basis. Dat gebeurde vooral na 1800, doordat pas toen grote groepen Nederlanders zich voor langere tijd in Indonesië vestigden. In Zuid-Afrika ontstonden eveneens enkele pidgins, en daarnaast creoliseerde het Nederlands aan de Kaap onder invloed van een groot aantal andere talen (Maleis, Portugees, inheemse talen, Frans, Duits), waardoor het zich ontwikkelde tot het Afrikaans.

Tijdens het ontstaan van creooltalen wordt de woordenschat voornamelijk op een bepaalde taal gebaseerd, in het geval van Nederlandse creooltalen op het Nederlands. Strikt genomen kun je dan niet spreken van Nederlandse leenwoorden en hoort de woordenschat van deze Nederlandse creooltalen niet thuis in een overzicht van uitgeleende Nederlandse woorden. Ik heb er echter bewust voor gekozen deze woorden wél op te nemen: de woordenschat van deze talen is beperkt en voltooid, en het is zeker dat de invloed van het Nederlands in Zuid-Amerika en het Caribische gebied voor een deel via de creooltalen is verlopen - hoe en wat moet nog worden onderzocht, maar voor dat onderzoek is het onontbeerlijk dat het Nederlandse aandeel in die creooltalen in kaart wordt gebracht, en dat overzicht wordt hier geboden. Met alle restricties van dien, want onze kennis van met name het Skepi- en Berbice-Nederlands is helaas beperkt. Nederlandse woorden in het Afrikaans zijn niet in de database opgenomen, al zou dat beslist interessant zijn. Toevoeging van het Afrikaans is echter om praktische redenen ondoenlijk. Afrikaans is een verhaal apart: het is een levende taal die zich nog dagelijks ontwikkelt en uitbreidt, ook met nieuwgemaakte samenstellingen van oorspronkelijk Nederlandse elementen. Wel zijn Nederlandse woorden die via het Afrikaans in andere talen zijn overgenomen, in de Uitleenwoordenbank opgenomen.

Nederlandse etnolecten

Op de verschillende continenten ontstonden niet alleen nieuwe Nederlandse pidgins en creooltalen, het Nederlands zelf maakte er ook een verandering door. De woordenschat werd uitgebreid om de nieuwe levenssituatie onder woorden te kunnen brengen, en groepen mensen met een andere moedertaal dan het Nederlands, namen de Nederlandse taal over. Als gevolg van het taalcontact tussen moedertaal en Nederlands is hier en daar een specifieke variant van het Nederlands ontstaan, die van het Standaardnederlands verschilt in uitspraak, woordvorming, woordenschat en grammatica. Voorbeelden van dergelijke etnolecten zijn het Indisch-Nederlands, het Surinaams-Nederlands en het Antilliaans- of Curaçaos-Nederlands. Deze variëteiten - die in de 20ste eeuw naar Nederland zijn gebracht - groeien niet uit tot een aparte taal, zoals gebeurd is bij de creooltalen, omdat zij onder voortdurende invloed van het Nederlands staan. De variëteiten vormen ook geen eenheid: de mate waarin het etnolect afwijkt van het Standaardnederlands varieert per taalgebruiker. Het Indisch-Nederlands leeft slechts voort in Nederland omdat de meeste sprekers ervan na de onafhankelijkheid van Indonesië hierheen getrokken waren. Het Antilliaans-Nederlands wordt beschouwd als foutief Nederlands en legt het als omgangstaal af tegen het Papiaments. Alleen het Surinaams-Nederlands staat momenteel sterk. Het Surinaams-Nederlands is eigenlijk een verzamelnaam voor een breed scala aan variëteiten: het Surinaams-Nederlands dat maar weinig verschilt van het Standaardnederlands is de taal voor alle formele situaties. Deze Surinaams-Nederlandse variëteit is algemeen geaccepteerd, ook in Nederland. Dat blijkt uit het feit dat Suriname in 2005 als geassocieerd lid tot de Nederlandse Taalunie is toegetreden. En het blijkt ook uit het feit dat in de officiële spellinggids van het Nederlands, de Woordenlijst Nederlandse taal, ook wel bekend als het ‘Groene Boekje’, sinds 2005, honderden Surinaams-Nederlandse woorden zijn opgenomen - die dus worden beschouwd als onderdeel van de Nederlandse woordenschat. De Surinaams-Nederlandse woordenschat is goed beschreven, zie de twee woordenboeken van J. van Donselaar onder Surinaams-Nederlands.

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (2015), Uitleenwoordenbank, op uitleenwoordenbank.ivdnt.org
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal